Humming Lee the Mucklebee

Gepubliceerd op 8 september 2026 om 01:47

Het verhaal van de enorme gezellige bij die de eerste inwoner van Mucklebee Bay werd.

Lang voordat Mucklebee Bay een dorp was, was er alleen een baai.

Een mooie, beschutte baai aan de kust van Gunterwijd, met glooiende heuvels, wilde bloemen en hier en daar een kronkelend paadje dat eigenlijk nergens naartoe leek te gaan.

Humming Lee kende die plek nog niet.

Hij was op een ochtend aan een lange wandeling begonnen en had zijn leren tas meegenomen, zoals altijd. Daarin zaten zijn notitieboekje, een potlood, een boterham en een klein leeg potje. Je wist tenslotte nooit wat je onderweg tegenkwam.

Die dag kwam hij vooral veel hommels tegen.
Dikke hommels, kleine hommels, hommels met een oranje kontje en één bijzonder harige hommel die zo zwaar beladen was met stuifmeel dat Lee zich afvroeg hoe hij in vredesnaam nog van de grond kwam.
Omdat Lee enorm van hommels en bijen hield, wilde hij weten waar ze vandaan kwamen, dus volgde hij ze op een afstandje.

De bijen hadden Lee allang gehoord, want Lee kon het niet laten om zo af en toe even een melodietje te neuriën. Dat deed hij eigenlijk vooral als hij in zijn nopjes was. 

Ze brachten hem steeds verder over de heuvels, tot hij boven op een helling bleef staan en beneden hem de baai zag liggen.
Lee zette zijn tas neer.
“Nou,” zei hij. Dat was alles. Lee was een bij van weinig woorden.

Beneden vond hij een beschut stukje grond. Niet te ver van het water, maar hoog genoeg om droge voeten te houden. Er groeide wat gras, een paar wilde bloemen en op een oud geel huis in de verte na was er verder eigenlijk helemaal niets. 

Lee keek om zich heen. Hier kon hij wel wat mee.

Niet veel later stond er op die plek een grote kruiwagen. Daarna verschenen er planken, stenen, gereedschap en een hoeveelheid hout waarvan Lee achteraf zelf niet meer precies wist hoe hij die allemaal naar de baai had gekregen.

Hij begon te bouwen.

Het hoefde geen groot huis te worden. Een keuken, een plek om te slapen, een tafel bij het raam en genoeg ruimte voor zijn boeken en potjes. Buiten wilde hij een schuurtje en natuurlijk een plek voor zijn toekomstige honingvoorraad.
Het bouwen duurde wel iets langer dan Lee had gedacht. Sommige planken bleken te kort. Andere waren te kort. Eén raam zat een tijdje scheef en de voordeur wilde alleen dicht als hij er eerst met zijn schouder tegenaan duwde.
Maar uiteindelijk stond het er. Een klein huisje aan een grote, lege baai.

Lee ging voor zijn voordeur zitten en keek tevreden naar zijn nieuwe uitzicht. Het was prachtig. Alleen nog een beetje kaal, maar daar wist hij wel raad mee. Vanaf dat moment kwam de kruiwagen bijna dagelijks tevoorschijn. Lee plantte klaver en lavendel, zette bloemen langs het pad en strooide zaad op plekken waarvan hij dacht dat de wind er wel raad mee wist. Hij zocht planten uit waar bijen, hommels en vlinders van hielden en hield nauwkeurig in zijn notitieboekje bij wat waar het beste groeide. Langzaam begon zijn stukje van de baai te veranderen. Er kwam kleur in en er kwamen bijen. Eerst een paar. Toen een heleboel. Lee vond dat uitstekend, want inmiddels had hij plannen.

Op een zonnige middag ging hij bij de bloemen zitten en wachtte tot een groepje plaatselijke bijen in zijn buurt neerstreek.
“Ik zat ergens aan te denken,” zei Lee. Er werd gezoemd. “Jullie zijn goed in nectar verzamelen.” Nog meer gezoem. “En ik ben goed in bloemen planten.”
Een bij landde op zijn knie. Lee pakte zijn notitieboekje. “Dus stel nu dat ik zorg dat hier altijd genoeg te halen valt. Klaver, lavendel, heide, misschien wat vlier verderop... Jullie doen waar jullie goed in zijn en ik zorg voor een veilige plek.” 
De bij op zijn knie poetste haar voelsprieten.
“En van een deel van de honing,” vervolgde Lee, “zou ik potjes kunnen maken om te verkopen.”
Het bleef even stil.

Toen steeg het hele gezelschap tegelijk op.

Lee keek ze na.

Hij wist niet helemaal zeker of hij zojuist een overeenkomst had gesloten of uitgelachen was. Maar de volgende ochtend zaten de bloemen vol bijen.
Lee beschouwde de zaak als beklonken. Zo verstreken de weken. Zijn huisje raakte steeds meer verscholen tussen de bloemen en in het schuurtje verscheen een plank voor lege honingpotten. Er was alleen één ding waaraan Lee nog niet helemaal gewend was.
Het was er stil. Heel stil. Gezellig stil, meestal.

Maar soms dacht hij dat een tweede kopje op tafel toch eigenlijk geen kwaad kon. 

En dus was hij bijzonder blij toen hij op een middag twee bekende figuren over het pad zag aankomen.

“Lee!”

Bram Eekhoorn zwaaide al van verre. Naast hem liep Juliette, met een mand over haar arm. Lee kwam overeind. “Jullie hebben het gevonden.”

“Natuurlijk,” zei Juliette. “We hoefden alleen maar de bloemen te volgen.” Ze keek naar het huisje, naar de tuin en naar de baai die achter Lee schitterde in de zon. “Wat heb jij hier een heerlijke plek van gemaakt.” 
Bram was ondertussen al bij het schuurtje beland en bekeek aandachtig een plank die volgens hem best wat steviger kon. Lee glimlachte. Hij zette drie kopjes op tafel.

Op dat moment stond er aan de baai nog maar één huis. Maar dat zou niet lang meer zo blijven.